Inloggen

Wachtwoord vergeten?

Natuur

Veranderingen in de Oosterschelde – afname van ‘Typische Soorten’

In een door Stichting ANEMOON uitgegeven rapport zijn recent de gegevens van 25 jaar onderwatermonitoring geanalyseerd. Luna van der Loos legt uit hoe deze gegevens laten zien of soorten toenemen of afnemen in aantal in de Zeeuwse Delta.

Europese habitattypen

De Europese natuur staat al vele decennia onder druk. Om een verdere verslechtering tegen te gaan en de biodiversiteit te behouden, worden in Natura 2000-gebieden bepaalde dieren, planten en leefgebieden (habitats) beschermd. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa niet alsmaar meer van hetzelfde wordt. In 1979 is daarvoor de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen bestaan uit twee delen: soortbescherming en habitatbescherming. Door de Europese Unie zijn in deze richtlijnen tal van habitattypen gedefinieerd. Eén daarvan is het Europese Habitattype H1160: ‘Grote, ondiepe kreken en baaien’, waaronder in Nederland de Oosterschelde valt.

Beoordeling

De kwaliteit van elk Europees Habitattype (ook wel Natura2000-Habitattype genoemd) dient door een lidstaat eens in de zes jaar te worden beoordeeld. Die beoordeling wordt via een zogenaamde Artikel 17-rapportage aan de Europese Unie verstrekt. De beoordeling van veranderingen in een Habitattype wordt mede gedaan op basis van aantalsveranderingen van Typische Soorten. Dit zijn soorten die bruikbaar zijn als indicator voor een goede abiotische toestand of biotische structuur. Het gaat bij deze soorten dus niet om bescherming maar wel om de sterke indicatieve waarde. Elk Europees Habitattype, dus ook de Oosterschelde, heeft eigen Typische Soorten.

Bij de MOO-monitoring zijn de volgende 17 Typische Soorten van de Oosterschelde (H1160) betrokken: zee-anjelier, mossel, platte oester, wulk, strandkrab, schelpkokerworm, haring, schar, wijting, gewone zeedonderpad, botervis, bot, schol, zwarte grondel, steenbolk en puitaal.

Gewone zeedonderpad

Gewone zeedonderpad. Foto: Marion Haarsma

Wulk

De afname van Typische Soorten

Met de MOO-analyses wordt de Gemiddelde Abundantie voor elke soort berekend. De Gemiddelde Abundantie is berekend op een schaal van 0 tot 3. Een Gemiddelde Abundantie van 0 betekent dat er gemiddeld geen enkel exemplaar van de betreffende soort is waargenomen. Met een Gemiddelde Abundantie van 1 is er gemiddeld één exemplaar waargenomen per duik (zeldzaam); 2 geeft aan dat gemiddeld 10-100 exemplaren per duik zijn gezien (algemeen); en met 3 is de soort gemiddeld per duik massaal met meer dan 100 exemplaren worden gevonden.

Dezelfde analyses zijn gedaan voor de Typische Soorten als groep. Dit wordt een Soortgroep Trend Index genoemd. Hieruit blijkt dat de bij het MOO betrokken Typische Soorten gemiddeld zijn afgenomen tot een niveau van 47 procent ten opzichte van 1994, dat als basisjaar op 100 procent is gesteld (zie figuur hieronder). Als indicatorsoorten geeft dit aan dat het niet erg goed met de Oosterschelde gaat.

er.

Monitoring Project Onderwater Oever (MOO)

In 1994 is Stichting ANEMOON het Monitoring Project Onderwater Oever (MOO) gestart. Bij dit project inventariseren sportduikers goed herkenbare planten en dieren onder water. Dat doen zij op vrijwillige basis. Het doel is om veranderingen in de mariene fauna en flora van de Nederlandse kustwateren vast te stellen en kennis op te bouwen over de relaties van de soorten met elkaar en hun omgeving. Inmiddels bestaat het MOO ruim 25 jaar en ter viering van dit jubileum zijn de gegevens uit de database geanalyseerd.

‘Kenmerkende Soorten’ als aanvulling op de Europese Typische Soorten

De habitat van de Oosterschelde is door de aanleg van de Deltawerken zeer sterk veranderd. In een ver verleden werd hard substraat alleen gevormd door mossel- en oesterbanken. Nu bestaan de oevers van de Oosterschelde ook onder water grotendeels uit steenstort. Zo ontstonden grote oppervlakken kunstmatige rotskust. Doordat rivierwater wordt omgeleid is het zoutgehalte veel stabieler geworden en zijn overgangen van zoet naar zout water verdwenen. De Oosterschelde kreeg daardoor steeds meer kenmerken van een baai langs een rotskust. Hierdoor wordt ook steeds duidelijker waarom de Oosterschelde nadrukkelijk niet bij de EU is aangemeld als een ander Habitattype, zoals H1130 (Estuaria) of H1140 (Slik- en zandplaten). Om die reden zou het goed zijn ook nog een aantal andere vooral aan hard substraat en een stabiel zoutgehalte gebonden diersoorten bij de beoordeling van de kwaliteit en functies van de Oosterschelde te betrekken. In ‘Het Duiken Gebruiken 4’ wordt toegelicht welke aanvullende Kenmerkende Soorten nog meer van belang zijn om de kwaliteit van de habitat in de Oosterschelde te monitoren. Het betreft de volgende 15 soorten: geweispons, zeedahlia, gorgelpijp, purperslak, zeekat, zwarte galathea, veranderlijke steurgarnaal, gewimperde zwemkrab, gewone zeester, gewone zeeappel, pauwkokerworm, doorschijnende zakpijp, slakdolf, steenslijmvis en vorskwab. In alle gevallen zijn de genoemde soorten bij het MOO betrokken; er is derhalve geen extra monitoringsprogramma nodig.

Slijmvis

Verandelijke steurgarnaal

Veranderlijke steurgarnaal op geweispons. Foto: Marion Haarsma

Typische en Kenmerkende Soorten

Door meer soorten bij de beoordeling te betrekken ontstaat een nog genuanceerder beeld van de veranderingen. Worden de trends van zowel de Typische als de genoemde aanvullende Kenmerkende Soorten tezamen bepaald, dan daalt de Soortgroep Trend Index ten opzichte van 100 procent in 1994 naar circa 60 procent in 2018. Als berekeningen worden gedaan voor verschillende soortgroepen, komt naar voren dat vissoorten gemiddeld in aantallen afnemen, dat de sessiele soorten (vastgehecht aan hard substraat) stabiel blijven en dat de vagiele soorten (vrij kruipende en over de bodem lopende organismen) toenemen (zie figuren hieronder).

Soortgroep Trend Index voor vissen

Soortgroep Trend Index voor vagiele soorten

Soortgroep Trend Index voor sessiele soorten

Meer weten?

Het rapport van Stichting ANEMOON ‘Het Duiken Gebruiken 4’ is gratis te downloaden via: www.anemoon.org/duikengebruiken 
In Bijlage 4 vind je voor meer dan 160 soorten de trendgrafieken en verspreidingskaartjes in Zeeland en het Nederlandse deel van de Noordzee.

Wil je meehelpen om dit soort gegevens zichtbaar te maken? Doe mee met MOO en log je duiken via www.moo.meetnetportaal.nl 
Elke waarneming telt!

Heb je vragen, stuur dan een e-mail naar anemoon@cistron.nl, kijk op www.anemoon.org of word lid van de Facebook-groep: ANEMOON MOO/LIMP/SMP

Tekst: Luna van der Loos

6 reacties

  1. Avatar

    Een leuke statischtische benadering! De vraag is……. is 25 jaar niet een te korte periode om daar iets nuttigs over te zeggen? In 1986 werd de Oosterscheldekering in werking gesteld. Die stelt ons in staat om veel langer te duiken op kentering overigens……..toch.?. Ik ken nog de tijden van 30 minuten duiktijd max. op kentering. De vraag is dus…. zijn dit de naweeën van de sluiting van de Oosterschelde, of de opwarming van de aarde of….. dat de natuur gewoon zijn eigen gang gaat zonder zich iets aan te trekken van statistiek?

    REAGEREN
  2. Avatar

    Of een periode lang genoeg is om statistische uitspraken te doen, hangt af van de schaal waarop je kijkt. Op een geologische schaal zou 25 jaar natuurlijk enorm kort zijn, maar om afnames of toenames in populaties van het onderwaterleven te meten, is 25 jaar ruim voldoende. Sterker nog: het is tegenwoordig binnen de biologie vrij zeldzaam om gegevens over een tijdspanne van 25 jaar te hebben (want subsidies willen vaker en vaker zo snel mogelijk resultaten zien). In het rapport Het Duiken Gebruiken laat Stichting ANEMOON voor >160 soorten zien of deze toenemen, afnemen, gelijk blijven in aantal, of dat we er op basis van de huidige gegevens geen uitspraken over kunnen doen. Alle gegevens zijn gecorrigeerd voor waarnemersinspanning. In dit artikel nemen we de trends van een aantal individuele soorten samen, om te kijken naar de algehele trend van de Typische Soorten.
    Of de afname/toename van soorten veroorzaakt wordt door klimaatverandering, aanpassing van het habitat, de bouw van de kering etc., heeft Stichting ANEMOON (nog) geen statistische testen gedaan. Daar doen we dus ook geen definitieve uitspraken over 🙂 Maar hypothesen bedenken op basis van de resultaten die we zien kan wel, en in de toekomst hopen we met aanvullende gegevens wel verdere analyses te doen.
    De natuur trekt zich natuurlijk sowieso niets aan van de statistiek 🙂 Maar met behulp van statistiek en de bijna 1 miljoen waarnemingen van alle duikers, kunnen we wel objectief inzicht bieden in de huidige stand van zaken. Ik denk dat het juist goed is dat mensen zich daarna gaan afvragen: waarom nemen alle vissoorten af in aantal? Waarom nemen vagiele soorten juist toe? Dit draagt bij aan bewustwording en hopelijk op den duur ook aan bescherming van het onderwaterleven.

    REAGEREN
  3. Avatar

    In deze zijn we het geheel met elkaar eens. Ik zou ook graag zo’n statistiek zien van de soorten die in getal zijn toegenomen! En die zijn er zeker denk ik, maar ik heb niet gedaan aan meten is weten in deze. Minstens zo belangrijk toch?

    REAGEREN
  4. Avatar

    Leuk, twee mensen zonder gezicht die op Duikforum met elkaar communiceren!

    REAGEREN
  5. Avatar

    Zeepaardjes…….. Zeehonden……Bruinvissen…………Japanse oesters………….Besjeswier om er maar een paar te noemen…..Toegenoment toch. Kreeft sinds 1973… enorm toegenomen toch???? Alleen als voorbeeld natuurlijk….

    REAGEREN

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Velden met * zijn verplicht *

Nieuwsbrief